Om nader kennis te maken met de achtergronden van de cliënten van één van de 5 organisaties waar ik voor werk
ging het personeelsuitje dit jaar naar Schiedam. Hieronder een verslag met verwijzing naar de foto’s en het filmpje dat elders op internet te vinden is.

Zoals gebruikelijk bij ondergetekende niet puur toeristische foto’s maar details waarin ik persoonlijk meer oog heb voor afbraak, katten en zwanen… De gids was enthousiast maar niet te …
Het aardigste detail (in het kader van een niet nader te noemen fusie?) staat op de foto. Rotterdam near Schiedam…
Onderweg vroeg de heer P. aan Eduard of hij wel wist waarvan Schiedam hoofdzakelijk bestond? "Jawel," antwoordde de zoon, "van die miserable jenever, die zoveele menschen dronken en zooveel huisgezinnen ongelukkig maakt. Ik begrijp niet, hoe er nog iemand wil wonen." 
"Dat zou men zoo zeggen, Eduard," zei de vader, "en toch ken ik er menschen, die mij de verzekering hebben gegeven, dat het er zoo heel kwaad niet is. ‘t Is waar, de jenever is een dronkenmakende drank voor hen, die er teveel van drinken. Maar moeten de menschen er dan te veel van drinken? Ik voor mij wenschte wel, dat niemand dien drank gebruikte dan in zeer enkele gevallen, en dan altijd nog matig. Maar wij moeten aan de gaven niet wijten wat alleen aan het misbruik ligt. Ook de wijn is een gave, en toch wie er zich aan verslaaft, moet er de droevige gevolgen van ondervinden.
….
Wij zullen heden nog wel gelegenheid hebben, om te zien wat er van die jeneverstad is."
Is men deze zoogenaamde voorstad ten einde, waartoe men acht tot tien minuten noodig heeft, dan komt men in de eigenlijke stad, waar men aanstonds links en rechts hooge steenen korenmolens ziet, die, als er wind is, doorgaans genoeg te doen hebben, om het koorn, dat is rogge en gerst, te vermalen, voor de branderijen benodigd. Het eerste komt men in de zoogenaamde Boterstraat, welke uitwendig geene de minste overeenkomst heeft met den naam, dien zij draagt, want er staan vele fabrieken in, die er vrij zwart uitzien. Eigenlijk heeft Schiedam maar ééne fabriek, dat is de ruwstokerij, waarvan er niet minder dan 248 zijn, die door de geheele stad midden tusschen de woonhuizen verspreid staan. Daarbij komen nog 56 mouterijen en eenige fabrieken, waar gedestilleerd wordt vervaardigd. Enkele van die branderijen dragen eenen naam; de zonderlingste van die allen is zeker die van eene branderij in de zoo even gemelde Boterstraat, welke de "Afschaffer" heet, zeker tot bespotting van het "afschaffingsgenootschap." ‘t Is dan ook ondeugend genoeg, dunkt mij, en klinkt, zeide vader, even als het woord "vrijheid" boven een gevangenis.
Toen nu vader aan het einde der haven, waar aan de overzijde eene prachtige Roomsch-Katholijke kerk staat, bij eenen heer moest zijn om hem over zaken te spreken, werd mij de gelegenheid aangeboden om nader kennis te maken met eene branderij en daar te zien hoe het kostbare graan tot spiritus overgaat. De boekhouder namelijk van dien heer had de beleefdheid mij in de fabriek rond te leiden en alles uit te leggen.
Jenever vervaardiging
"De grondstof," zoo sprak hij, "waaruit de moutwijn vervaardigd wordt, bestaat uit gerst en rogge. Beide worden tot meel gemalen en zoo naar de fabriek gebragt. De gerst evenwel ondergaat vooraf eene bewerking in een afzonderlijk daartoe ingerigt ruim gebouw, mouterij genaamd. Eerst wordt deze graansoort daar in eene grooten bak eenigen tijd onder water gezet, daarna op een platten vloer van roode tegels uitgespreid, waarop zij begint te groeijen, d. i. uit te schieten. Is dit genoegzaam geschied, dan wordt de gerst op een andere platten vloer uit roode tegels bestaande, die van gaten voorzien zijn, gelegd, waaronder dapper gestookt wordt om ze weder te droogen. Zulk een vloer heet de "eest." Daarna gaat zij naar den molen. In de branderij nu staan op eene houten stelling twaalf groote houten kuipen, waarvan er den eenen dag na den anderen vier aan vier worden beslagen, dat wil zeggen, met gersten- en roggemeel gevuld tot op zekere hoogte, waarop dan heet en koud water wordt gedaan, waardoor dat meel aan het gisten komt. Den volgenden dag laat men door eene in de bakken aangebragte opening het water, dat de gistdeelen bevat, voorzigtig afloopen en vangt het op in een anderen bak. Daarna laat men de spoeling van den vorigen dag, die in een bovenbak vergaderd was, weder op het meel loopen, waarop de gistdeelen, die nu nog in het daarop staande water verzameld zijn, op nieuw door de opening ontvlieten en de spoeling, d.i. het uitgetrokken meel, door pompen verwijderd wordt naar een diepen bak, die op de straat vóór de branderij aan den waterkant ligt, van waar zij door de veehouders wordt opgepompt en zoo overgebragt in karren, dat zijn langwerpige of ovale houten of ijzeren bakken (spoelingkarren), of ook wel in platte schuiten (spoelingschouwen) om te dienen tot het voeden en vetmaken van het vee. Het nat echter, dat den wijngeest in zich bevat, wordt gebragt in koperen ketels, waaronder fiks gestookt wordt. Daar verdampt dat vocht tot zekeren graad, komt nu weder in eene ontzettend groote kuip, waarin een koperen buis slangsgewijze van beneden naar boven loopt en weder verdikt, om dan van daa in eene even groote kuip, die onder den grond zit als moutwijn terug te keeren.
Gist
Gij ziet, waarde neef! het is niet anders dan eene distelatie in het groot, zooals gij dien bij den apotheker wel eens in het klein hebt gezien. Van het eerste nat maakt men de gist en die gist is een kluchtig verschijnsel, dat niemand regt goed schijnt te weten, waarin gij niets ontdekt, maar als dat water eenen tijd lang gestaan heeft, ziet gij een bezinksel van bestanddeelen op den bodem liggen, die, nadat, het water er afgeloopen is, droog gemaakt wordt in linnen zakken, onder eene pers gelegd, die van tijd tot tijd vaster wordt toe aangeschroefd, en dan die stof opleveren, die wij gist noemen, en die gij wel gezien hebt als uwe moeder koeken bakte, om het meel te doen rijzen. Deze gist nu is in Schiedam een uitgebreide tak van handel geworden, welke dag aan dag vele menschen, kantoren, vrachtrijders, aan spoorwegen en stoombooten arbeid verschaft. De lieden, die dit artikel, nadat het uit de fabriek gekomen is, verder bearbeiden en tot verzending naar Belgie, Duitschland en vooral naar Engeland gereed maken, noemt men "gistkladders." ‘t Is ook kluchtig om te zien hoe ze, in hun borstrok of boezeroentje en witte onderbroek de gist in linnen zakken proppen. Eene branderij levert gemiddeld elken dag 80 tot 100 pond gist, en als dat product nu, hetgeen niet zelden gebeurt, 40 tot 60 cents per pond opbrengt, dan maakt dit in de week een aardig sommetje. Ook de spoeling is geld waard en wordt verkocht bij de ketel, welke dikwijls tot twee gulden toe opbrengt.
Ten tijde van de veeziekte echter was zij niets waard en de brander al blijde, als de landman hem voor niet van dit voor zijn fabrikaat overtollig product wilde ontslaan.
Bezetting van een branderij
Elke branderij heeft drie man noodig, te weten een meesterknecht, een onderknecht en een pomper. Deze menschen verdienen weliswaar een goed weekgeld, van acht tot zestien gulden, maar moeten er ook zwaar voor arbeiden. Reeds des morgens vroeg, ten drie ure, gaan zijn naar de branderij en blijven daar den geheelen dag door tot dikwijls laat in den avond. Die arme menschen hebben dus weinig genot van hun leven en hun huisgezin. Bovendien zijn ze zeer blootgesteld aan het gevaar van zich door kokend water te branden; en zelden gaat er eene week voorbij, dat men niet van verbrande armen of beenen hoort. Ook is de lucht in eene branderij dikwijls zeer warm, zoodat de arbeiders er voor een deel van kleederen ontbloot werken, en zij geheel het voorkomen hebben van stokers op een stoomboot.
Nu heb ik u wel de inrigting van deze fabriek niet naauwkeurig beschreven, maar daar gij toch geen plan hebt brander te worden, heb ik mij kunnen vergenoegen met er u slechts eenig denkbeeld van te geven hoe graan in jenever onder de bewerking van ’s menschen hand verandert. Dit alleen wil ik ten slotte nog bijvoegen, dat in Schiedam gemiddeld, zooals de boekhouder mij zeide, vijf- tot zeshonderd lasten graan per week in moutwijn worden gemetamorphoseerd. Dat dit heel wat te doen geeft, kunt u begrijpen als ik u zeg, dat door dit fabrikaat vele molenaars, brandersknechten, mouters, zakkennaaisters, kuipers, mandenmakers, zakkendragers, kolen- en graankoopers, schippers enz. enz. de kost verdienen, behalve dat nog de spoeling bij duizenden van ossen vet maakt en de gist in ons vaderland en daarbuiten haar nut doet.